In Brussel zijn eind 2007 en begin 2008 de EU doelstellingen ter reductie van het
energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen gedefinieerd.
Die doelstellingen luiden :
In 2020 moet de uitstoot van het broeikasgas CO2 met 20 procent zijn afgenomen ten opzichte van 1990. Het aandeel van hernieuwbare energiebronnen moet dan tot 20 procent zijn toegenomen en de energie-efficiëntie met 20 procent zijn gestegen
Afgezien van de wat eigenaardige voorliefde van Brussel voor het steeds weer terugkerende getal 20 kan gezegd worden dat dit wel zeer ambitieuze plannen zijn. Of deze imponerende getallen helemaal duidelijk de bedoelingen weergeven en of deze getallen ook ooit bereikt kunnen worden is interessant om dat even te bekijken. Het lijkt er namelijk wat op dat die getallen meer bedoeld zijn om het publiek te imponeren . Laten wij daarom even rekenen waarbij ervan uitgegaan mag worden dat Brussel de uitstoot van broeikasgassen ongeveer evenredig stelt met het energieverbruik.
Het energieverbruik in Europa mag toch wel geacht worden tussen 1990 en 2020 jaarlijks met 2,5 procent te stijgen. Dat betekent dat in die dertig jaar het energie- verbruik stijgt van 100 procent in 1990 naar het 2,1 voudige in 2020. Met andere woorden: 20 procent van het energieverbruik in 1990 gerekend in kilowatturen is evenveel als 20/2,1 deel of 9,5 procent van het energieverbruik in 2020. En dat klinkt al heel wat anders dan die fraaie getallen in de tekst van de Brusselse doelstellingen, die inderdaad lijken bedoeld te zijn om te imponeren. Wanneer in Brussel ten minste exact begrepen werd wat men nu eigenlijk betoogde. Wat ik enigszins betwijfel.
Het Nederlandse kabinet omarmde de EU doelstellingen van Brussel en maakt begin 2008 haar voornemen bekend om die zelfde doelstelling te willen halen door meer gebruik van de energiebronnen wind- water- zonne energie en biomassa. Niet duidelijk is daarbij of het kabinet zich bewust was dat ons verbruik aan elektrische energie nog maar een betrekkelijk klein deel is van ons totale energieverbruik. Want voor andere vormen van energie dan voor opwekking van elektriciteit zullen de genoemde energiebronnen niet geschikt zijn.
Aangezien Nederland geen waterkracht van enige betekenis heeft en zoals bekend elektrische zonnecellen met grote onregelmatigheid niet meer dan een klein kruimeltje elektriciteit opwekken zullen windenergie en misschien het verstoken van biobrandstoffen in centrales en voor het wegverkeer de belangrijkste energiebronnen moeten gaan vormen.
Of biobrandstoffen werkelijk in voldoende mate ter beschikking kunnen komen om enig substantieel effect op onze totale energiehuishouding te hebben lijkt zeer onwaarschijnlijk. Daarentegen is het wel duidelijk dat substantieel gebruik van biobrandstof geen voordeel maar juist zeer grote nadelen voor de wereld zal opleveren. Zoals dit ook staat beschreven in het op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde artikel in de NRC van 9 en 10 februari 2008 "Biobrandstof versterkt het broeikaseffect" Alleen de titel al moet toch tot lezen aanzetten. De eerste zin van het met getallen onderbouwd artikel is "De grootschalige inzet van biobrand-stoffen als alcohol en biodiesel blijkt het broeikaseffect niet te onderdrukken maar dramatisch te versterken." Het artikel bewijst op welk drijfzand de aanbeveling tot meerder gebruik van biobrandstof is gebaseerd.
Om de doelstellingen van Brussel en ons Nederlandse kabinet te halen blijft dus eigenlijk alleen nog maar over de windmolens die in zeer grote aantallen bijgebouwd zouden moeten worden. Bij het nemen van dit kloeke besluit door het Nederlandse kabinet werd over het hoofd gezien, of misschien zelfs wel doelbewust genegeerd, dat er altijd die 90 procent aan onmiddellijk inzetbaar conventioneel reservevermogen ter beschikking zal moeten zijn, Dat betekent de bouw van enkele forse centrales die dus niet bedoeld zijn voor onze reguliere productie van elektriciteit. Nee, die moeten alleen draaiende gehouden worden om die variaties van het windvermogen te compenseren. Dat wordt natuurlijk een bijzonder kostbare zaak. En voor de weinig van deze materie begrijpende lieden komt dit als een kille verrassing; 'Juist omdat wij zoveel windmolens gaan gebruiken moeten wij centrales bijbouwen !'
Bovendien lijkt het wat onwaarschijnlijk dat de leden van ons Nederlandse kabinet zich daarbij de volgende twee essentiële zaken realiseerden:
Het lijkt erop alsof zowel 'Brussel' als ons Nederlandse kabinet niet over erg veel technisch denkende nuchterlingen en voldoende zakjapannertjes beschikt. Getalmatig doorrekenen wat hun plannen concreet zouden kunnen betekenen lijkt niet hun sterkste kant. Onduidelijk is verder wat bedoeld wordt met 'de energie efficiëntie moet met 20 procent zijn gestegen'. Alsof ieder proces waarbij energie verbruikt wordt zomaar 20 procent minder energie nodig zou kunnen hebben. Dat lijkt weer een fraaie politieke leuze omdat dit met zekerheid niet haalbaar zal blijken te zijn. Politici bedenken vaak utopieen waarvoor technici dan maar weer een oplossing voor moeten vinden. Het even narekenen van hun utopieen wordt door politici meestal overbodig gevonden.
Omdat het woord kernenergie bij een aantal politieke partijen als een soort vloeken in de kerk beschouwd wordt zal de Brusselse en onze kabinetsdoelstelling (minder uitstoot van broeikas) voorlopig alleen met rigoureuze energiebesparing gehaald kunnen worden. Waaraan overigens alle bedrijven en industrieën die energie gebruiken met heel veel inventiviteit en lang niet onbelangrijke resultaten al vrijwillig meehelpen. Al die vrijwillige besparingen vertegenwoordigen aanzienlijk meer kilowatturen dan vele honderden windmolens zouden opbrengen Die vrijwillige inspanningen verdienen daarom dan ook zeker een compliment.